Starten met het instellen van het systeem

Het systeem instellen betekent het opslaan van de hardwareconfiguratie-informatie van de pc in het flash-geheugen. Via de systeeminstellingen haalt de PC diverse informatie op, waaronder de huidige datum en tijd, de geheugencapaciteit, en de capaciteit en het type van het opslagapparaat (HDD, SSD, eMMC).

U stelt het systeem in wanneer u wachtwoorden instelt, de opstartvolgorde wijzigt en nieuwe randapparaten aan de computer toevoegt.

Items die op het scherm Setup worden weergegeven, kunnen per model en specificatie verschillen.

Tip:

Om de systeeminstellingen (F2), opstartapparaatselectie (F10) of herstel (F11) te gebruiken, moet u het systeem opnieuw opstarten (klik op [Opnieuw opstarten] in het systeemmenu) en vervolgens onmiddellijk op de bijbehorende functietoets drukken vanwege de snelle opstartsnelheid.

Opgelet:
  • Wijzig de systeeminstellingen niet als dat niet nodig is. Onjuiste systeeminstellingen kunnen fouten veroorzaken tijdens de werking van het systeem. Wees voorzichtig bij het wijzigen van de systeeminstellingen.

  • Ter verbetering van de prestaties kunnen de configuratie van het systeeminstellingenmenu en de initiële instellingsstatus worden gewijzigd en kunnen deze afwijken van de afbeeldingen die in de gebruikershandleiding zijn opgenomen.

  1. Start het systeem opnieuw op en druk meerdere keren op [F2].

    Scherm Systeem opstarten
  2. Binnen enkele ogenblikken verschijnt het systeeminstellingenscherm.

    Scherm systeeminstellingen:

Toetsen gebruikt in Systeemconfiguratie

Toetsen

Functie

Enter

Hiermee selecteert u het huidige item.

Esc

Het huidige item deselecteren of naar het vorige scherm gaan.

▲, ▼, ◄, ► (pijltjestoetsen)

Beweegt de cursor omhoog, omlaag, naar links en naar rechts.

+, —

Verhoogt of verlaagt de itemwaarde.

F10

Slaat de nieuwe instellingen op of verlaat de systeeminstellingen.